Archive | Isopsephy RSS for this section

A runic Inscription from Sigtuna

On a cattle bone from the 12th century, a rune-master carved encoded runes. The code is pretty straightforward. It consists out of a conglomerate of lines. A small space orders the lines in small groups. Every group starts with a line which is only half as long as the other lines. The encoding is similar to the encoding of the Rök-stones. The number of half lines at the beginning of a group designates the ætt. The sum of the longer lines gives us the position of the rune inside the ætt.

The decoding is unproblematic. We transcribe the runes as 3/6 1/6 2/5 1/4 3/6 which result in k y s / m k. It must be noted that the first ætt is actually Týs ætt and the third Freys.

Recently, Nordby translated the inscription as “kiss me”. This translation made it to the mainstream media, causing a small storm about the long-lost romantic nature of the “Vikings”. The inscription was placed in a bigger sociological framework. However, Nordby neglected, as fellow researchers, the findings of Klingenberg et al. Runes has also a mathematical meaning and a lot of inscriptions where mathematically encoded (gematria or isopsephy). This kind of encoding was very popular within the Greek writings and other writing-systems in the Middle East. It was German Klingenberg and before him the Swede Agrell who argued that also the runes and the runic inscriptions were ordered by mathematical rules.

This inscription too has also been ordered mathematically. The runes form two groups from 3 and 2 runes resulting in a total of 5 runes. This is the beginning of the Fibonacci sequence or the numbers of the section aureo: 2, 3, 5. The use of the sequence is found on the Horn of Gallehus, and on others artifacts from the Thorsberger Moor and the cauldron of Gundestrup. The sequence was well known in the Northern world.

There is even a more important aspect. The total numerical value of the runes is k6 + y16 + s11 + m15 + k6 = 54. This number is 2 times 27, the duration of the moon-month. This number has a protective meaning. The word laukaR has the same value 2 * 27 = 54, just as the magical expression alu like on the ring of Körlin. The writer expressed two times alu, probably hoping on a positive effect.

The on. kyss could not only mean physical “kissing”, but like the Dutch “liefkozen” means more like “to caress”, in a broader sense “to protect”. Maybe the writer didn’t want a physical kiss, but wanted the protection of the “good” gods or wanted the help of the gods to gain his love. This remains of course guessing, but is not unlikely.

The runic master had to improvise and orders the runes so that the inscription reflects a protective number. This technique has been seen in a lot of other inscription. The writer had to change the characters or leave out characters to align the inscription to the mathematical order. Even though this seems to be otherworldly for many, we find these trade-offs also in non-runic inscriptions. It is a shame that almost no researcher at all are investigating the gematric rules behind the runic inscriptions. Leaving this aspect out, reduces the inscription with its missing of sometimes false runes to a mere, faulty human to human communication. But just as in the Greek culture, the mathematical value of the inscriptions had a higher priority than the grammatical and phonological rules, resulting in apparently faulty inscriptions but with a correct value. And the same goes also for a lot of runic inscriptions.

The statement that the “codes were used in play and for learning runes, rather than to communicate” by Nordby is not really true. Of course, runic masters would have practiced, but mostly they wanted to communicate with two worlds: the human world and the worlds of the gods.


  • Arntz, H., Handbuch der Runenkunde. (1944)
  • Klingenberg, H., Runenschrift – Schriftdenken – Runeninschriften. (1973)
  • Krause, W., Die Sprache der urnordischen Runeninschriften. (1971)
Advertisements

De Taal en de Getallen

Er bestaat een opvallend linguïstisch verband tussen de woorden taal, vertellen en getal wat we niet alleen in het Nederlandse tellen en vertellen maar ook terugvinden in het Duitse werkwoord erzählen en het substantief Zahl. Om te tellen en te vertellen bedient men zich van dezelfde woorden hoewel het eerste woord betrekking heeft op een mathematische en het laatste op puur communicatieve handeling. Heden ten dage doet het ons maar vreemd aan dat de woorden en de klanken een mathematische betekenis zouden hebben. Spreken is tegelijk rekenen – de taal is een uitdrukking van de mathematisch vatbare orde.

Het gr. λόγος betekent zowel de taal als de wiskundige verhouding. Het spreken is wiskundig gegeven en volgt wiskundige wetten. Het ohd. rehhanôn, tellen, rekenen, rekenschap afleggen vinden we naast ohd. rahha, spraak, taal, rekenschap, zaak. Het ndl. taal hangt samen met het mhd. zal, getal, vertelling, taal. Het e. tale, verhaal en het werkwoord to tell hangt samen met ndl. vertellen waarin zich het werkwoord tellen verbergt. Vertellen en tellen drukken de samenhang tussen de taal en de getallen prachtig uit. Het d. Rede, taal, en het gr. λόγος hangt inhoudelijk samen met het lat. ratio, berekening, rekenschap, rede, en vindt zijn weerslag in het got. raþjo, getal, en garaþjan, rekenen. Analoog vinden we naast het gr. λόγος eveneens het werkwoord λογίζεσδαι, rekenen. [1]

Alle letters, alle combinaties van letters, alle woorden en dus de zinnen die met die woorden gemaakt werden hebben een mathematische betekenis. Veel inschriften uit het verleden zijn onderworpen aan deze mathematische wetten zoals we nog in de volgende voorbeelden zullen uitwerken. Vele inschriften bevatten een resem aan punten, sterren of andere zinnebeelden. Deze zinnebeelden hebben zelf een numerieke waarde die er hoofdzakelijk voor zorgen dat de mathematische betekenis van het volledige inschrift de orde uitdrukt. Het optellen van de numerieke waarden van letters heet isopsefie naar het gr. ισοσ, gelijk, en ψῆφος, steentje. In de gematria, gr. ϒεωμετρία, getallenleer, leest men letters als getallen en omgekeerd.[2]

De klanken vormen woorden. Het ned. woord is verwant ohd. wort, on. orð, got. waurd en het lat. verbum < *u̯erdhom. Het is een formatie met -dh- van de stam *u̯er, plechtig zeggen, spreken in die zin dat het gezegde bindend en heilig is zoals in het av. urvāta, bepaling, gebod en oi. vratá- o, bevel, gelofte en het gr. eírō, zeggen, en het inhoudelijk verwante rhḗtōr, redenaar. De wortel *u̯er kan men conceptueel verbinden met binden, vlechten, omheinen en verdiept woord als “het plechtig gesproken woord op de ding-vergadering (binnen een sacrale omheining)”. Het woord is een bepaling, een gebod, opgebouwd uit klanken en onderworpen aan een orde.

Het woord is de ordening zelf. Het woord en de klanken en de ordening van deze liggen aan de basis van de schepping. Het Evangelie van Johannes (1:1) zegt ons “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen”. Het Evangelie van Johannis wijst op een zeer sterke gnostische inslagen. De Griekse tekst gebruikt λόγος voor het Woord. Het woord is de orde. In het begin, ἀρχή, was er de orde; niets meer dan de orde en de orde schiep alles. Elk woord bezit een vast gedefinieerde woord-waarde. Woorden zijn getallen. Omgekeerd zijn de getallen woorden.


[1] [KLINGENBERG:Runenschrift] 21, 54.

[2] [KLINGENBERG:Runenschrift] 49-50 / [LEISEGANG:Gnosis] 15. [1] De λόγος is in de mens verbonden met de ziel. Het denkende deel is echter onsterfelijk in tegenstelling tot de λόγος.