Archive | July 2014

Surtr

De kosmogonische mythe vangt noodgedwongen aan met een initiële oer-toestand – de grote leegte of het absolute niets wat beschreven wordt met de uitdrukking ginnungagap. De Gylfaginning (4) citeert een licht gewijzigde strofe uit de Vǫluspá (3) :

Ár var alda,
þat er ekki var,
vara sandr né sær
né svalar unnir;
iǫrð fannz eigi
né upphiminn,
gap var Ginnunga,
en gras ekki.

[LORENZ:Gylfaginning]101.

De jaren waren oud,
toen niks was,
noch zand noch zee
noch koude golven;
aarde vond men niet
noch boven-hemel,
gapend was de leegte,
gras [was er] niet.

De vertaling van het woord ginnungagap is zeer omstreden. Vertaling variëren van “de weidse leegte”, “de afgrond van de verblinder [de reus]”, “de gapende leegte” tot de “met magische kracht gevulde ruimte”. Alle vertaling hebben gemeenzaam dat ze een lege oer-toestand beschrijven. Deze grote leegte kan echter deze toestand niet behouden. Een bepaalde kracht brengt verandering in deze oer-toestand hoewel deze kracht niet nader beschreven wordt. Deze initiële verandering zorgt ervoor dat de grote leegte gevuld wordt met de primaire werelden en het primaire wezen. Vǫluspá (3) vertelt ons, in tegenstelling tot het citaat in de Gylfaginning (4), dat Ýmir in deze tijd leefde waarover we straks meer zullen vertellen. Waar Ýmir vandaan komt wordt niet overgeleverd. Eenmaal de oer-reus geboren is, neemt de kosmogonische mythe haar loop. De ganse wereld wordt uit het lichaam van deze oer-reus geschapen.

De Gylfaginning (4) citeert de Vǫluspá (3) opzettelijk anders. De auteur vond het nodig om de verwijzing naar de oer-reus Ýmir te verwijderen en te vervangen door de algemene beschrijving “þat er ekki var”. De reden hiervoor is dat de Gylfaginning niet Ýmir maar Surtr als primair wezen kent. Gylfaginning (4) vertelt ons dat “fyrr var þat mǫrgum ǫldum en iǫrð var skǫpuð, er Niflheimr var gǫrr”, “toen was dat vele eeuwen voor de aarde werd geschapen, werd Niflheimr gemaakt”. Wie deze wereld schiep of wat er aanleiding toe gaf, vertelt de dichter ons niet. Deze wereld werd in de chronologie van de kosmogonie voorafgegaan door Muspellsheimr. “Fyrst var þó sá heimr í suðrhálfu, er Muspell heitir”, “Als eerste was toch deze wereld in de zuidelijke helft, die Muspell heet”. Deze wereld bestaat uit vuur en vlam. In tegenstelling tot Niflheimr heeft Muspellsheimr een echte, levende bewoner, namelijk de reus Surtr zoals de Gylfaginning (4) ons bericht. “sá er Surtr nefndr, er þar sitr á landzenda til landvarnar”, “diegene heet Surtr, die daar aan het landseinde zit als bewaker”. De naam Surtr betekent zoveel als donker of zwart. Wellicht verwijst zijn naam de absolute duisternis van het heelal waar de hemelse vuren branden.

Gylfaginning (4) vertelt ons dat Surtr “loganda sverð”, “een vlammend zwaard” bezit. Met dit zwaard zal Surtr tijdens de Ragnarǫkr tegen de goden en de wereld ten strijde trekken. “í enda veralldar mun hann fara ok heria ok sigra ǫll goðin ok brenna allan heim með eldi”, “bij het einde van de wereld zal hij komen en vechten en alle goden overwinnen en de hele wereld in vlammen doen opgaan”. Het vuur van Surtr vat de Gylfaginning samen als “Surtalogi”. De schrijver van de Gylfaginning vertelt dus ons dat het oerwezen onze wereld volledig zal vernielen en citeert de Vǫluspá (52):

Surtr ferr sunnan
með sviga lævi,
skínn af sverði
sól valtíva;
griótbiǫrg gnata,
en gífr rata,
troða halir helveg,
en himinn klofnar.

[LORENZ:Gylfaginning] 101.

Surtr vaart uit het zuiden,
met de kwaadbrengende twijg,
straalt van het zwaard,
de zon van de Valtívar;
de steenbergen klappen tegen elkaar,
en reuzinnen struikelen,
mannen [krijgers] lopen op de Helveg,
en de hemel klooft.

De Gylfaginning (51) vertelt dat Surtr tijdens de Ragnarǫkr niet alleen de goden bekampt maar komt aanrijden met zijn zonen. “Í þessum gný klofnar himinninn, ok ríða þaðan Múspellz synir. Surtr ríðr fyrst ok fyrir honum ok eptir bæði eldr brennandi. Sverð hans er gott miǫk, af því skínn biartara en af sólu.”, “In dit tumult klooft de hemel, en vandaar rijden de zonen van Muspellr. Surtr rijdt voorop met voor en achter hem brandend vuur. Zijn zwaard is zeer machtig, van [dit zwaard] straalt heller dan de zon.”. Wie zijn zonen zijn noch wie de moeder zou zijn, wordt niet gezegd. De Vǫluspá (51) laat in tegenstelling tot Surtr uit het zuiden de mannen uit Muspellsheimr onder leiding van Loki echter met een schip over de zee uit het oosten komen.

Kióll ferr austan,
koma muno Muspellz
um lǫg lýðir,
enn Loki stýrir.

[KUHN:Edda] Vǫlospá 51.

Een schip vaart uit het oosten,
komen de mannen [zonen] van Muspellr
over de zee,
maar Loki stuurt.

Surtr en zijn strijders bekampen de goden op de vlakte die volgens de Gylfaginning (51) Vígríð heet. “Múspellz megir sœkia fram á þann vǫll, er Vígríðr heitir. … En Múspellz synir hafa einir sér fylking, ok er sú biǫrt miǫk”, “Muspells zonen komen op de plaats, die Vígríð heet… Maar Muspellrs zonen vormen een heel leger, en schijnen heel fel”.

Door de associatie van Surtr met de helse vuren en vlammen vat men vaak Surtr eenzijdig op als een vuur-demon. Maar er is echter nog een andere kant aan Surtr. In de Háleygjatal (2) spreekt Eyvindr Skáldaspillir over de mede die Óðinn uit “Surts ór sǫkkdǫlum”, “Surtrs diepe dalen” haalde. De onderaardse oorsprong van de mede en dus van Surtr bevestigt de naam van IJslands grootste grottensysteem Surtshellir, “de grotten van Surtr”. Het IJslands volksgeloof vertelt dat de grotten onder heel IJsland lopen. Het Landnámabók (xx) spreekt over þórvaldr holbarki die aan de ingang van de Surtshellir een drápa sprak ter ere van de reus. De betekenis van de naam Surtr, zwart, past goed bij een goed van de onderwereld. Als stamvader van de reuzen noemt men het ganse geslacht van de reuzen “Surts ætt”. Voortboerend op de mythe rond de mede kunnen we stellen dat Surtr waarschijnlijk identiek is aan Suttungr. De mede heet ook “Surts ættar sylr”, “de drank van het geslacht van Surtr”. De Fjǫlsvinnsmál (24, 26) brengt hem direct in verbinding met de in de onderwereld wonende Sinmara.

Surtr zaait niet alleen dood en vernieling maar hij zorgt er ook voor dat het andere oer-wezen Ýmir kan ontstaan. Gylfaginning (5) vertelt ons dat Ýmir ontstond “með krapti þess er til sendi hitann”, “met hulp van deze die de hitte zond”. Diegene die de hitte zond, kan niemand anders zijn dan Surtr of een ander alomvattend oerwezen. Surtr is een vernietigende en scheppende kracht.

Dit alles maakt van Surtr een complexe personage en zijn strijd tegen Freyr tijdens de Ragnarǫkr is zeker geen toeval. Zijn strijd tegen Freyr kadert in de dualistische strijd analoog aan Baldr – Hǫðr wat we ten gepaste tijde zullen bespreken. Freyr verloor zijn zelf-strijdend zwaard aan Skírnir. Op zijn beurt wordt Freyr door het vlammende zwaard van Surtr gedood.

De vraag blijft open waarom Surtr opzettelijk een grote rol werd toebedeeld in de Gylfaginning. De Vǫluspá kent Surtr enkel in zijn rol van de vernietiger van de wereld. De Skáldskaparmál (9) verwisselt Surtr en Suttungr en brengt zo Surtr in verband met de mythe rond de mede welke we later nog zullen uitdiepen.


[LORENZ:Gylfaginning] 108.

[STRÖM:Loki] 121.

Advertisements

De Taal en de Getallen

Er bestaat een opvallend linguïstisch verband tussen de woorden taal, vertellen en getal wat we niet alleen in het Nederlandse tellen en vertellen maar ook terugvinden in het Duitse werkwoord erzählen en het substantief Zahl. Om te tellen en te vertellen bedient men zich van dezelfde woorden hoewel het eerste woord betrekking heeft op een mathematische en het laatste op puur communicatieve handeling. Heden ten dage doet het ons maar vreemd aan dat de woorden en de klanken een mathematische betekenis zouden hebben. Spreken is tegelijk rekenen – de taal is een uitdrukking van de mathematisch vatbare orde.

Het gr. λόγος betekent zowel de taal als de wiskundige verhouding. Het spreken is wiskundig gegeven en volgt wiskundige wetten. Het ohd. rehhanôn, tellen, rekenen, rekenschap afleggen vinden we naast ohd. rahha, spraak, taal, rekenschap, zaak. Het ndl. taal hangt samen met het mhd. zal, getal, vertelling, taal. Het e. tale, verhaal en het werkwoord to tell hangt samen met ndl. vertellen waarin zich het werkwoord tellen verbergt. Vertellen en tellen drukken de samenhang tussen de taal en de getallen prachtig uit. Het d. Rede, taal, en het gr. λόγος hangt inhoudelijk samen met het lat. ratio, berekening, rekenschap, rede, en vindt zijn weerslag in het got. raþjo, getal, en garaþjan, rekenen. Analoog vinden we naast het gr. λόγος eveneens het werkwoord λογίζεσδαι, rekenen. [1]

Alle letters, alle combinaties van letters, alle woorden en dus de zinnen die met die woorden gemaakt werden hebben een mathematische betekenis. Veel inschriften uit het verleden zijn onderworpen aan deze mathematische wetten zoals we nog in de volgende voorbeelden zullen uitwerken. Vele inschriften bevatten een resem aan punten, sterren of andere zinnebeelden. Deze zinnebeelden hebben zelf een numerieke waarde die er hoofdzakelijk voor zorgen dat de mathematische betekenis van het volledige inschrift de orde uitdrukt. Het optellen van de numerieke waarden van letters heet isopsefie naar het gr. ισοσ, gelijk, en ψῆφος, steentje. In de gematria, gr. ϒεωμετρία, getallenleer, leest men letters als getallen en omgekeerd.[2]

De klanken vormen woorden. Het ned. woord is verwant ohd. wort, on. orð, got. waurd en het lat. verbum < *u̯erdhom. Het is een formatie met -dh- van de stam *u̯er, plechtig zeggen, spreken in die zin dat het gezegde bindend en heilig is zoals in het av. urvāta, bepaling, gebod en oi. vratá- o, bevel, gelofte en het gr. eírō, zeggen, en het inhoudelijk verwante rhḗtōr, redenaar. De wortel *u̯er kan men conceptueel verbinden met binden, vlechten, omheinen en verdiept woord als “het plechtig gesproken woord op de ding-vergadering (binnen een sacrale omheining)”. Het woord is een bepaling, een gebod, opgebouwd uit klanken en onderworpen aan een orde.

Het woord is de ordening zelf. Het woord en de klanken en de ordening van deze liggen aan de basis van de schepping. Het Evangelie van Johannes (1:1) zegt ons “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen”. Het Evangelie van Johannis wijst op een zeer sterke gnostische inslagen. De Griekse tekst gebruikt λόγος voor het Woord. Het woord is de orde. In het begin, ἀρχή, was er de orde; niets meer dan de orde en de orde schiep alles. Elk woord bezit een vast gedefinieerde woord-waarde. Woorden zijn getallen. Omgekeerd zijn de getallen woorden.


[1] [KLINGENBERG:Runenschrift] 21, 54.

[2] [KLINGENBERG:Runenschrift] 49-50 / [LEISEGANG:Gnosis] 15. [1] De λόγος is in de mens verbonden met de ziel. Het denkende deel is echter onsterfelijk in tegenstelling tot de λόγος.

Allfǫdr, de alomvattende god

Niet direct weergegeven maar indirect aangeduid in de Noorse mythologie is het concept dat de hele wereld, het ganse universum wordt vastgehouden door één alomvattend wezen. In de christelijke wereld benoemt men deze figuur God. In de Noorse literatuur vinden we talrijke referenties naar de naam Allfǫðr, de Alvader. De hamvraag is enerzijds of de Noorse literatuur en mythologie beïnvloed werd door het christendom. Het christendom nam vrij vroeg bezit van de Germaanse landen en menig vorser neemt aan dat de Edda door het christendom sterk beïnvloed werd. Anderzijds kan men zich terecht de vraag stellen of het concept van een alomvattende god, een leider van het universum, niet reeds bekend was bij de Germanen. Deze vraagstelling duikt in de literatuur bij mijn weten niet op daar de vraag natuurlijk met het huidige bronmateriaal moeilijk te beantwoorden is. Desalniettemin moeten we er ons van bewust zijn dat de Germaanse mythologie en cultuur zeer nauw verwant zijn met de Griekse mythologie. De Germaanse cultuur heeft de Griekse cultuur zeer sterk beïnvloed en tal van concepten in de Griekse laten wortelen.

Philo van Alexandrië werd rond *-20 geboren uit een Grieks-Joods huwelijk en was zeer vertrouwd met de Griekse filosofie. Philo maakte gebruik van allegorie om de Griekse met de joodse filosofie te doen samensmelten. Hij sprak in zijn werken over de figuur Hestos, de stilstaande. Deze persoon staat buiten en boven alle werelden. Hij is de hoogste figuur die niet met het universum meedraait maar boven het universum staat. Deze figuur is als enigste niet in beweging. Kan deze figuur verwant zijn met de Noorse Allfǫðr, de alomvattende vader?

Op een Mappamondo in Camposanto, Pisa, beeldde vermoedelijk de kunstenaar Pietro di Puccio d’Orvietto rond 1350 de ganse wereld uit als een schijf die door een god aan de buitenkant vastgehouden wordt. De aarde ligt in het centrum en draagt de drie werelddelen Europa, Azië en Afrika. In totaal omgeven 21, 3 maal 7, kringen de menselijke wereld. De drie elementen water, lucht en vuur omgeven de aarde. Dan komen de kringen van de planeten in wiens baan de maan en de zon als figuren verschijnen. Dan de hemel met de vaste sterren, een kring met de twaalf tekens van de dierenriem en talrijke sterren. Dan volgt de kristal-hemel, het empyreum, die het aardse hemelrijk van het goddelijke scheidt. Dan volgen negen kringen die de hiërarchie van de engelen representeert. De kunstenaar gaf zijn kunstwerk ook een gedicht mee waarin hij onder andere zegt dat “verhef de ogen voor de eigen wereld, zie hier wet en orde, het Alles samengevoegd in spaken, loof hem die alles samenhoudt” en verder roept hij de lezer op om “door te stijgen naar de engelen, de hoogste zaligheid”. Het is van belang om in te zien dat de daarbuiten staande god de wereld omgeeft als de grote schepper. Hij heeft alles in de hand en laat alles zo functioneren zoals het functioneren moet. Het is de beweging die de scheppende kracht is; alleen dat wat beweegt, kan scheppen en vernielen. De alomvattende god staat daar buiten als een kracht die er altijd is. Hij is echter onbeweeglijk en dus niet geschapen en niet scheppend – daarom werd de wereld ook door de engelen gemaakt en door god overgenomen volgens Irenaeus die Helene, nota bene de maan-godin, de engelen laat scheppen.

mappamondo-campo-santo

Mappamondo in Camposanto, Pisa uit 1350.

Het geloof aan een god die de wereld van buitenaf vasthield was wel bekend in Europa. Hildegard van Bingen leefde tussen 1098 en 1178 en had verscheidene visioenen. Eén ervan werd vastgelegd als miniatuur (See illustration). Bovenaan de afbeelding staat God. Zijn zoon staat vlak onder hem en bestaat uit vlammen en vuur die de menselijke wereld omgeven. Te midden van deze wereld staat de mens die alle invloeden van bovenaf moet ondergaan. De vurige buitenrand bestaat uit een dikkere, lichtere vuur-kring en een half zo dikke donkere kring. De mens is onderhevig aan de vier winden en het vuur die als lijnen het beeld doorkruisen en een geometrische figuur vormen. In het beeld werden de twaalf antieke windrichtingen aangebracht. Het oosten staat boven, het westen onder, noorden rechts en zuiden links. De oostenwind blaast uit de mond van een luipaard, de westenwind uit een wolfskop, de zuidenwind uit een leeuwenkop en de noordenwind uit een berenkop. De nevenwinden blazen in het oosten door twee hertenkoppen, in het westen uit twee kreeften en het noorden en zuiden door een lam en slang.

hildegard-von-bingen-man

Miniatuur van een visioen van Hildegard van Bingen uit de zogenoemde Lucca-Codex van de “Liber divinorum operum” uit 1220.

Misschien komen we nu een stap dichter bij Gylfaginning (5) die ons vertelt dat Ýmir ontstond “með krapti þess er til sendi hitann”, “met hulp van deze die de hitte zond”. Is diegene die de hitte zond niet Surtr maar de alomvattende god of zijn vurige zoon zelf? De reus Ýmir, uit wiens lichaam de wereld ontstond, ontstaat door de rijp maar is een levenloos wezen zolang Surtr of de vurige kracht hem het leven niet schenkt. De overlevering in de Gylfaginning maakt Surtr tot het absolute primordiale wezen. Nu stelt zich natuurlijk de vraag of Surtr zelf tot de reuzen behoord aangezien alle reuzen van Ýmir afstammen. Wellicht kan men stellen dat beide oer-wezens als reuzen werden beschouwd.