Surtr

De kosmogonische mythe vangt noodgedwongen aan met een initiële oer-toestand – de grote leegte of het absolute niets wat beschreven wordt met de uitdrukking ginnungagap. De Gylfaginning (4) citeert een licht gewijzigde strofe uit de Vǫluspá (3) :

Ár var alda,
þat er ekki var,
vara sandr né sær
né svalar unnir;
iǫrð fannz eigi
né upphiminn,
gap var Ginnunga,
en gras ekki.

[LORENZ:Gylfaginning]101.

De jaren waren oud,
toen niks was,
noch zand noch zee
noch koude golven;
aarde vond men niet
noch boven-hemel,
gapend was de leegte,
gras [was er] niet.

De vertaling van het woord ginnungagap is zeer omstreden. Vertaling variëren van “de weidse leegte”, “de afgrond van de verblinder [de reus]”, “de gapende leegte” tot de “met magische kracht gevulde ruimte”. Alle vertaling hebben gemeenzaam dat ze een lege oer-toestand beschrijven. Deze grote leegte kan echter deze toestand niet behouden. Een bepaalde kracht brengt verandering in deze oer-toestand hoewel deze kracht niet nader beschreven wordt. Deze initiële verandering zorgt ervoor dat de grote leegte gevuld wordt met de primaire werelden en het primaire wezen. Vǫluspá (3) vertelt ons, in tegenstelling tot het citaat in de Gylfaginning (4), dat Ýmir in deze tijd leefde waarover we straks meer zullen vertellen. Waar Ýmir vandaan komt wordt niet overgeleverd. Eenmaal de oer-reus geboren is, neemt de kosmogonische mythe haar loop. De ganse wereld wordt uit het lichaam van deze oer-reus geschapen.

De Gylfaginning (4) citeert de Vǫluspá (3) opzettelijk anders. De auteur vond het nodig om de verwijzing naar de oer-reus Ýmir te verwijderen en te vervangen door de algemene beschrijving “þat er ekki var”. De reden hiervoor is dat de Gylfaginning niet Ýmir maar Surtr als primair wezen kent. Gylfaginning (4) vertelt ons dat “fyrr var þat mǫrgum ǫldum en iǫrð var skǫpuð, er Niflheimr var gǫrr”, “toen was dat vele eeuwen voor de aarde werd geschapen, werd Niflheimr gemaakt”. Wie deze wereld schiep of wat er aanleiding toe gaf, vertelt de dichter ons niet. Deze wereld werd in de chronologie van de kosmogonie voorafgegaan door Muspellsheimr. “Fyrst var þó sá heimr í suðrhálfu, er Muspell heitir”, “Als eerste was toch deze wereld in de zuidelijke helft, die Muspell heet”. Deze wereld bestaat uit vuur en vlam. In tegenstelling tot Niflheimr heeft Muspellsheimr een echte, levende bewoner, namelijk de reus Surtr zoals de Gylfaginning (4) ons bericht. “sá er Surtr nefndr, er þar sitr á landzenda til landvarnar”, “diegene heet Surtr, die daar aan het landseinde zit als bewaker”. De naam Surtr betekent zoveel als donker of zwart. Wellicht verwijst zijn naam de absolute duisternis van het heelal waar de hemelse vuren branden.

Gylfaginning (4) vertelt ons dat Surtr “loganda sverð”, “een vlammend zwaard” bezit. Met dit zwaard zal Surtr tijdens de Ragnarǫkr tegen de goden en de wereld ten strijde trekken. “í enda veralldar mun hann fara ok heria ok sigra ǫll goðin ok brenna allan heim með eldi”, “bij het einde van de wereld zal hij komen en vechten en alle goden overwinnen en de hele wereld in vlammen doen opgaan”. Het vuur van Surtr vat de Gylfaginning samen als “Surtalogi”. De schrijver van de Gylfaginning vertelt dus ons dat het oerwezen onze wereld volledig zal vernielen en citeert de Vǫluspá (52):

Surtr ferr sunnan
með sviga lævi,
skínn af sverði
sól valtíva;
griótbiǫrg gnata,
en gífr rata,
troða halir helveg,
en himinn klofnar.

[LORENZ:Gylfaginning] 101.

Surtr vaart uit het zuiden,
met de kwaadbrengende twijg,
straalt van het zwaard,
de zon van de Valtívar;
de steenbergen klappen tegen elkaar,
en reuzinnen struikelen,
mannen [krijgers] lopen op de Helveg,
en de hemel klooft.

De Gylfaginning (51) vertelt dat Surtr tijdens de Ragnarǫkr niet alleen de goden bekampt maar komt aanrijden met zijn zonen. “Í þessum gný klofnar himinninn, ok ríða þaðan Múspellz synir. Surtr ríðr fyrst ok fyrir honum ok eptir bæði eldr brennandi. Sverð hans er gott miǫk, af því skínn biartara en af sólu.”, “In dit tumult klooft de hemel, en vandaar rijden de zonen van Muspellr. Surtr rijdt voorop met voor en achter hem brandend vuur. Zijn zwaard is zeer machtig, van [dit zwaard] straalt heller dan de zon.”. Wie zijn zonen zijn noch wie de moeder zou zijn, wordt niet gezegd. De Vǫluspá (51) laat in tegenstelling tot Surtr uit het zuiden de mannen uit Muspellsheimr onder leiding van Loki echter met een schip over de zee uit het oosten komen.

Kióll ferr austan,
koma muno Muspellz
um lǫg lýðir,
enn Loki stýrir.

[KUHN:Edda] Vǫlospá 51.

Een schip vaart uit het oosten,
komen de mannen [zonen] van Muspellr
over de zee,
maar Loki stuurt.

Surtr en zijn strijders bekampen de goden op de vlakte die volgens de Gylfaginning (51) Vígríð heet. “Múspellz megir sœkia fram á þann vǫll, er Vígríðr heitir. … En Múspellz synir hafa einir sér fylking, ok er sú biǫrt miǫk”, “Muspells zonen komen op de plaats, die Vígríð heet… Maar Muspellrs zonen vormen een heel leger, en schijnen heel fel”.

Door de associatie van Surtr met de helse vuren en vlammen vat men vaak Surtr eenzijdig op als een vuur-demon. Maar er is echter nog een andere kant aan Surtr. In de Háleygjatal (2) spreekt Eyvindr Skáldaspillir over de mede die Óðinn uit “Surts ór sǫkkdǫlum”, “Surtrs diepe dalen” haalde. De onderaardse oorsprong van de mede en dus van Surtr bevestigt de naam van IJslands grootste grottensysteem Surtshellir, “de grotten van Surtr”. Het IJslands volksgeloof vertelt dat de grotten onder heel IJsland lopen. Het Landnámabók (xx) spreekt over þórvaldr holbarki die aan de ingang van de Surtshellir een drápa sprak ter ere van de reus. De betekenis van de naam Surtr, zwart, past goed bij een goed van de onderwereld. Als stamvader van de reuzen noemt men het ganse geslacht van de reuzen “Surts ætt”. Voortboerend op de mythe rond de mede kunnen we stellen dat Surtr waarschijnlijk identiek is aan Suttungr. De mede heet ook “Surts ættar sylr”, “de drank van het geslacht van Surtr”. De Fjǫlsvinnsmál (24, 26) brengt hem direct in verbinding met de in de onderwereld wonende Sinmara.

Surtr zaait niet alleen dood en vernieling maar hij zorgt er ook voor dat het andere oer-wezen Ýmir kan ontstaan. Gylfaginning (5) vertelt ons dat Ýmir ontstond “með krapti þess er til sendi hitann”, “met hulp van deze die de hitte zond”. Diegene die de hitte zond, kan niemand anders zijn dan Surtr of een ander alomvattend oerwezen. Surtr is een vernietigende en scheppende kracht.

Dit alles maakt van Surtr een complexe personage en zijn strijd tegen Freyr tijdens de Ragnarǫkr is zeker geen toeval. Zijn strijd tegen Freyr kadert in de dualistische strijd analoog aan Baldr – Hǫðr wat we ten gepaste tijde zullen bespreken. Freyr verloor zijn zelf-strijdend zwaard aan Skírnir. Op zijn beurt wordt Freyr door het vlammende zwaard van Surtr gedood.

De vraag blijft open waarom Surtr opzettelijk een grote rol werd toebedeeld in de Gylfaginning. De Vǫluspá kent Surtr enkel in zijn rol van de vernietiger van de wereld. De Skáldskaparmál (9) verwisselt Surtr en Suttungr en brengt zo Surtr in verband met de mythe rond de mede welke we later nog zullen uitdiepen.


[LORENZ:Gylfaginning] 108.

[STRÖM:Loki] 121.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: